Uit de Haagsche Courant van zaterdag 20 juni 1992
BOETSEREN MET WATER EN LAND
Door Mark Glotzbach
'Hier gaan over het tij
de maan, de wind en wij'
Ilse Wessel spreekt deze regels van de dichter Ed Leeflang bij de eerste
beelden, rijzend water op de slikken, van de film 'Boetseren met water en land'.
Ze staan ook gebeiteld in een steen op het voormalige werkeiland Neeltje Jans.
De Haagse natuurfilmers Monique van den Broek en Jan van den Ende registreerden
drie jaar lang hoe Rijkswaterstaat Zeeland de natuur helpt zich aan te passen
bij de veranderingen door de Deltawerken. Zo heeft de stormvloedkering het
tijverschil in de Oosterschelde met een vijfde teruggebracht en zijn door de
dammen achter in de zeearmen grote zoetwatergebieden gevormd, samen te vatten
onder de naam Volkerak/ Zoommeer. De Grevelingen werd een zoutwatermeer.
De beide filmers begaven zich op onbekend terrein. "In het begin wisten
we niet of het nou ergens eb of vloed was. En het Zoommeer? Hebben wij
natuurlijk nooit gehad op school", zegt Van den Ende.
Van den Broek: "Maar we hebben bij het maken van een film nog nooit zoveel
steun gehad: we brengen jullie, we halen jullie op, hier is een
boot".
"Rijkswaterstaat vroeg ons drie jaar geleden documentatiemateriaal te
schieten. Wekelijks zaten we op Neeltje Jans en zagen het stapsgewijs veranderen
van een maanlandschap in een natuurgebied".
"Toen kwam het idee op er een film van te maken die zowel het grote
publiek zou aanspreken als geschikt was voor intern gebruik. Dat betekende
versimpeling van het verhaal, want alleen een deskundige weet wat het verschil
is tussen platen, schorren, slikken en geulen".
Verbaasd
Het resultaat is een fraaie en pakkende samenvatting van vijftien minuten, die
in elk geval al bij de waterstaatstechnici zeer is aangeslagen, getuige de
reacties op de eerste vertoningen.
Van den Ende: "We laten zien hoe Rijkswaterstaat kans ziet voorwaarden te
scheppen voor natuurontwikkeling. En we waren verbaasd over de grote schaal
waarop dit gebeurt en het succes ervan".
Van den Broek: "En zonder dat het overal geld hoeft te kosten. Bij het
opruimen, vragen ze zich af: waar kunnen we heen met dat zand. Naar een
aannemer. Die maakt de kuil dan wat dieper en Rijkswaterstaat gooit er water in.
Weer een nat gebiedje. En als er dan toch ergens door afgraving een wandje
ontstaat, zorg dan in één moeite door dat het een steil wandje wordt, waarin
oeverzwaluwen kunnen nestelen. Op die manier gaat het vaak".
Van den Ende: "In Terneuzen is aan het eind van een pier naar de sluizen
grint gestort. Er broeden nu honderddertig paren visdiefjes. Iedereen vindt het
al gewoon. Het doet een beetje Amerikaans aan. Daar trekt ook niemand zich wat
aan van zo'n vogelkolonie in een druk gebied. En het drukke scheepvaartverkeer
doet de vogels niets".
"We treffen ook wel zeldzamere vogels aan, steltkluten bij voorbeeld. We
gingen bij het Markiezaatsmeer een dijk op en daar kwam er al een aangestormd.
Maar toen we in de opgevouwen schuilhut zaten, was er twee uur niets te zien.
Nog geen bergeend kwam voorbij. Een kwartiertje nog, zeiden we. Dat werd
beloond, er streek toch nog een steltkluut neer". "Op de grond hebben
we bij Dinteloord opnamen gemaakt van plassen en geulen voor snoeken, in verband
met het beheer van de visstand. We hebben dat gebied ook uit de lucht gefilmd en
dan zie je pas hoe knap het gedaan is. Het is net een echte rivierdelta
geworden".
Geluk
Voor het "schilderen met de camera", wat Van den Ende het liefst doet
(Monique van den Broek neemt het geluid en de regie voor haar rekening), is het
beroemde Zeeuwse licht ideaal. Verzaligd gewaagt de filmer van de
Weissenbruch-achtige luchten, die je vaak hebt bij noordwestenwind. Ruige
werkbeelden van zware machinerie die losgaat op het zand wisselen de
natuurlyriek af. Kan het menselijk werk op afspraak worden gefilmd, voor wat
zich afspeelt in de natuur gaat dat niet op en is geduld geboden. Soms valt er
een meevallertje te noteren.
Van den Ende: "Die spelende hazen is een geluksshot. Meestal moet je weken
wachten voor je zoiets maakt. We waren bezig eenden te filmen toen ze ineens in
de zoeker verschenen. Dan is het hobbel de bobbel geblazen, paniekerig trachten
de beesten voor de lens te houden. Ik had uiteindelijk maar zes seconden stil
beeld".
Van den Ende: "Sommige slikken zijn zo groot, daar loop je uren. We wilden
een keer met storm filmen op de schorren. Anderhalf uur lopen, met camera's en
geluidsapparatuur, vijftien kilo de man. Er stond windkracht negen en het werd
heel donker, zodat we het moesten opgeven. Nauwelijks hadden we de zaak ingepakt
of het begon ook nog te hagelen en te regenen. Er viel zoveel, dat het water
onze laarzen inliep. Bij de auto goten we het water uit de laarzen, schoenen aan
en linea recta naar Den Haag. Resultaat van dit uitstapje: vijftien seconden
mooi beeld".
Kubieke meter
Bij een andere gelegenheid konden zij er niet genoeg van krijgen.
Van den Ende: "Voor het filmen van kluten bracht Rijkswaterstaat ons bij
hoog water naar een eiland. Voorzichtig lopend - kluteneieren zie je wèl, want
er ligt een schelpenkring om de nestkuil - zochten we een plek voor de
schuilhut. Daarna zes uur filmen, vanuit een kubieke meter tent. Monique op de
grond, met het geluid, ik staand achter de camera. Tweeëndertig klutennesten,
alleen al op het kleine stukje dat we konden zien. Het kon niet op. We vergaten
de tijd gewoon. Tot op een gegeven moment over het water schalde: Hé,
filmploeg, zijn jullie klaar?"
Van den Broek: "En dan weet je dat zich opzij en achter je ook nog van
alles afspeelt wat verborgen voor je blijft. We gluurden even onder de rits aan
de achterkant door. Binnen handbereik lag een klutennest. Hadden we toch niet
opgemerkt".
Van den Ende: "Zo zie je maar weer hoe voorzichtig je moet zijn. Als je de
beesten opjaagt, geef je predatoren zoals zwarte kraaien en zilvermeeuwen kans
de eieren of jongen te grijpen".
"Dat is de natuur, kun je zeggen. En daar hoort de mens ook bij. Maar door
ons aantal zijn we te overheersend geworden en brengen we schade aan. Daarom
moeten we ons aan regels houden. Wij net zo goed als de recreanten. En ook de
vogelaars en de plantenmensen. Die kunnen soms knap vervelend zijn".
Kapot
Van den Broek: "Op Neeltje Jans zijn er wat rare parkeerplaatsen, waar ze
over het hek zo het natuurgebied ingaan, terwijl er een paaltjesroute is".
Van den Ende: "Ze liepen door de dwergsternnesten heen. Die zie je ook echt
niet. Wij kijken eerst van een afstand waar we de schuilhut veilig kunnen
neerzetten en vanuit de hut speuren we naar de nesten. Lopend zoeken kan niet,
je trapt ze onherroepelijk kapot. Het is heerlijk dat je bijna overal in mag.
Maar beheers je. Ga zeker geen broedgebieden in, want wat je doet is vernielen,
zonder het te willen".
Van den Broek: "Als er ergens mensen in een kwetsbaar gebied zijn met
vergunning, zoals wij met ons hutje, komen er onherroepelijk ook anderen, soms
met honden. En zodra vogelaars van iets bijzonders de neus krijgen, komen ze er
met grote hordes aan".
Van den Ende: "Het is in Nederland moeilijk de natuur in optima forma te
houden. Het Deltagebied zou gebaat zijn met meer bewakers. Maar sociale controle
is ook belangrijk. Iemand vragen waarom hij nou zo nodig door een bloemenveld
moet baggeren. Er is een plaats waar mensen van de weg af gaan om te parkeren.
Uitgerekend dáár groeit de zeer zeldzame bijenorchis. Voor je 't weet
beschadig je iets als je zomaar ergens je auto neerzet".
Van den Broek: "Een ware plaag op de schorren zijn de pierenstekers. Ze
jagen alle vogels weg".
Van den Ende: "Pierenstekers moeten het van de eb hebben. De vogels ook.
Verjaag je ze, dan missen ze hun lunch en hun diner. Het gaat om
honderdduizenden vogels, die dan alleen op een onbijtje moeten leven".
Door de stormvloedkering komt de vloed minder hoog dan voorheen. Dat is niet
best voor de schorren. Ze kalven af.
Van den Ende: "In het begin is de kering zelfs een paar dagen helemaal
dicht geweest. En als schorren niet meer door de vloed worden overspoeld drogen
ze uit en klinken ze in.
De grond is niet meer een spons, maar breekt af. Dat herstelt zich niet meer.
Nog een gevolg: op de droog blijvende stukken komt een andere plantengroei. De
specifieke zoutminnende schorrenflora verdwijnt".
Spannend wordt het in de nieuwe zoetwatergebieden.
Van den Ende: "Als je zout water snel vervangt door zoet maar vervuild
water uit de rivieren, wat gebeurt er dan? Het kan een vieze stinkende rotzooi
worden. Tot nu toe lijkt het redelijk goed te gaan. Maar voor dit soort
ontwikkelingen staat tien jaar. De komen vijf jaar zijn kritisch".
"Het zoute water, de Oosterschelde dus, is nu schoner dan in de natuurlijke
situatie, toen het rivierwater er nog in kwam, al kun je vervuild rivierwater
moeilijk natuurlijk noemen".
Voor de waterzuivering van het Volkerak/Zoommeer zijn experimenten met driehoeksmossels
gaande. In miljoenen op netten vastgezet, moeten zij de verontreinigingen uit
het binnenkomende slib filteren.
Van den Ende: "We hebben dagen gezeten met zo’n zoetwatermossel. Die
beesten eten slib en maken in hun lijf een pakketje van de onverteerbare rotzooi
erin, zoals zware metalen en chemicaliën, en dat spugen ze uit. Onder een
mosselfilter krijg je dan gelokaliseerd een laag troep en die wordt
weggezogen".
Van den Broek: "De meeste vuiligheid komt overigens uit de lucht".
Van den Ende: "Daar kun je alleen internationaal wat aan doen".
Indrukwekkend
Het tweetal zou graag nog vijf langer de ontwikkeling van de natuur in het
Deltagebied willen filmen. Te beginnen met de slufter die aan de zeekant van
Neeltje Jans wordt aangelegd.
Van den Ende: "Het is indrukwekkend zo betrokken als de mensen van
waterstaat zijn bij al dit werk. Een technisch ministerie, dat nu ook
denkt in het belang van de natuur. Er wordt graag en veel gekankerd op de
overheid, maar als je ziet wat Rijkswaterstaat hier voor dingen doet, kun je
alleen maar enthousiast worden dat zoiets positiefs gebeurt in Nederland".
Het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij en de organisaties voor
natuurbescherming nemen de zaak nu geleidelijk over van Rijkswaterstaat.
Van den Broek: "Men wil niet overal zo verschrikkelijk gaan beheren. Waar
nodig, wordt het een beetje bijsturen. De natuur moet zo veel mogelijk haar
eigen gang kunnen gaan, dat is het uitgangspunt".
Van den Ende: "Ik denk dat het ze lukt en dat Zeeland natuurgebieden krijgt
van net zo’n groot belang als de Oostvaardersplassen zijn. Op voorwaarde dat
de recreant zich aan de regels houdt. En ik koester een eigen droompje: zet rondom
het Volkerak/Zoommeer-gebied een hek en zet er elanden uit. Die kwamen vroeger
in Nederland voor en ik vind het zulke mooie beesten".